De vier wetscholen in de Soennitische Islam, deel I
De geleerde Imams in een eerdere periode hebben via groepen moslims die hen volgden een stroming op het gebied van het Islamitisch recht (Shari’a) en de Jurisprudentie (Fiqh) op gang gebracht, die later wetscholen zijn genoemd. Binnen de Ahlus- Sunnah wal-Djamaa’ah zijn 4 wetscholen te vinden. De 4 bekende Imams waar de wetscholen naar zijn genoemd zijn Imam Ahmad Ibn Hanbal, Imam Ash Shafi’i, Imam Malik en Imam Abu Hanifa.
Bronnen van gezag en autoriteit
Imam Shafi’i heeft onder meer een systeem vastgelegd over de bronnen van autoriteit in het Islamitisch recht en dat waren Qur’an, Sunnah, Ijma’ en Qiyas. Daarbij komt dat een wetschool nog andere bronnen kan hebben gebruikt. Een wetschool is eigenlijk te begrijpen als een fractie of stroming die één bepaalde interpretatie van de bronteksten als belangrijk heeft aangewezen en daardoor de regelgeving volgens die interpretatie in het vat heeft gegoten. De geleerden hebben gemeld dat deze 4 wetscholen vanuit het Soennisme zijn gekomen.
Als eerste en meest gezaghebbende bron is het woord van Allah (Subhanahu wa ta’ala) en dat is de Qur’an, de geopenbaarde woorden van Allah (Subhanahu wa ta’ala). Daarnaast is er de Sunnah - ofwel het voorbeeldgedrag, de uitspraken, handelingen en goedkeuringen van de Profeet Mohammed (Sallallahu alaihi wa sallam) - en de Hadith - wat dan de overgeleverde teksten zijn die als documenten dienen van de Sunnah. Volgens gegevens zou Sunnah staan voor ‘weg / traditie’ en Hadith voor ‘overlevering’ (vaak vastgelegd door Sahih al-Bukhari en Sahih Muslim). Daarbij wordt tevens aangegeven dat de Sunnah wordt verdeeld in Qawliyyah (uitspraken), Fi’liyyah (handelingen) en Taqririyyah (stilzwijgende goedkeuringen). Tevens worden Hadith verdeeld in klassen van betrouwbaarheid, zoals Sahih (authentiek), Hasan (goed), Da’if (zwak) en Maudu (vervalst).
De 4 wetscholen
In de tijd van de Profeet (Sallallahu alaihi wa sallam) was er nog geen wetschool, wat overigens ook in die periode niet nodig was, omdat een vraag meteen aan de Profeet (Sallallahu alaihi wa sallam) gesteld kon worden. Na de dood van de Profeet (Sallallahu alaihi wa sallam) hebben de Rashidun (de 4 rechtgeleide Kaliefen: Aboe Bakr, Omar ibn al-Khattab, Uthman ibn Affan en Ali ibn Abi Talib) de functie van raadsman ingevuld. Tevens waren er nog vele metgezellen die de Profeet (Sallallahu alaihi wa sallam) hebben gekend en veel van hem hadden geleerd, zodat ze ook vragen konden beantwoorden. Maar bij de groei en verspreiding van de Islam (en tijd) werd de toegang moeilijker tot deze mensen, waardoor meer opgeschreven en vastgelegd werd. Tevens werd de onderlinge afstand groter en ging men elkaar brieven sturen.
Hierdoor konden ook moslimgeleerden zich ontwikkelen met een instituut en lessen en leerlingen. Sommigen waren populairder dan anderen, waardoor er ook steeds meer wetscholen ontstonden, splitsten en verdwenen. Er zou een ‘hoogtepunt’ zijn geweest van 130 verschillende wetscholen. Uiteindelijk zijn er in de Soennitische Islam 4 wetscholen overgebleven (en 2 in de sj’itische Islam). Taqlied staat voor het volgen van een wetschool ofwel de vakkundige geleerden van de wetschool.
Wetschool van Imam Abu Hanifa
De oudste van de 4 grote Soennitische Imams is Imam Abu Hanifa, die geboren en getogen is in het huidige Irak. Dit bracht mee dat hij (redelijk) ver was van de mensen van Mekka en Medina, waardoor hij minder gemakkelijk de metgezellen of de directe nakomelingen kon raadplegen. Deze wetschool heeft hierdoor de rede een belangrijkere positie gekregen. Imam Abu Hanifa heeft ooit gezegd:
“Ik geloof dat mijn meningen correct zijn, maar ik ben me bewust van het feit dat mijn mening misschien fout is. Ik geloof ook dat de meningen van mijn tegenstanders fout zijn, maar ik ben me bewust van het feit dat zij misschien wel correct zijn” (Khaled Abou el Fadl)
Deze wetschool gaat uit van de Qur’an en de Sunnah, waarbij de Sunnah de bevestiging is van de Qur’an, de uitleg van de Qur’an en als opheffing van verzen in de Qur’an. Als derde bron worden vaak fatwa’s van de metgezellen genoemd, die echter niet verplicht zijn te volgen. De vierde bron is de Ijma (consensus van de meerderheid van de Mujtahid). Tevens heeft de Imam soms Ijtihad (intensieve inspanning door middel van de rede om teksten te begrijpen) gebruikt, soms analogie (afleiding) en soms Istihsan (uitgaan van het goede). Deze laatste bronnen werden gebruikt als eerdere bronnen geen duidelijke uitkomst konden geven. Imam Abu Hanifa is uitgegaan van het individu, indien deze bij zinnen was.